DE VERTROUWELIJKHEIDSPLICHT

Het bankgeheim, dat duidelijk gedefinieerd en gewaarborgd is in de wet op de financiële sector (wet van 5 april 1993 zoals gewijzigd) berust op het principe van het beroepsgeheim, dat gedefinieerd en gewaarborgd is door het Strafwetboek, doordat het bepaalde professionals, zoals geneesheren, verheft tot "vertrouweling" tegenover hun cliënteel. .

Zo wordt de bankier verheven tot de rang van "noodzakelijke vertrouweling" van de cliënt voor de persoonsgegevens die deze laatste "noodzakelijk" aan de financiële specialist, zijnde de bankier, moet verstrekken om de relatie aan te knopen. Daarbij moet de cliënt zekerheid hebben dat de doorgegeven inlichtingen vertrouwelijk zullen blijven. De gegevens betreffen dus niet alleen informatie over het vermogen en de financiële toestand van de cliënt, maar ook het principe dat er tussen de bank en de cliënt een relatie bestaat

  • Het bankgeheim is van toepassing voor alle professionals uit de financiële sector (PFS), hun werknemers, bedrijfsleiders, raadslieden, leveranciers, consulenten enz.
  • Het bankgeheim is niet alleen van toepassing op de PFS naar Luxemburgs recht of de PFS naar buitenlands recht die in Luxemburg actief zijn, maar ook op de activiteiten die de PFS naar Luxemburgs recht uitoefenen in het buitenland.
  • De schending van het bankgeheim is onderhevig aan strafmaatregelen, onverminderd de gevolgen inzake aansprakelijkheid.
  • De vertrouwelijkheidsplicht wordt doorgaans beschouwd als een zogenaamde regel "van openbare orde", zodanig dat er alleen bij wet uitzonderingen kunnen worden vastgelegd.
  • Het bankgeheim vormt voor de bank een resultaatsverbintenis waarbij de bank ertoe gehouden is alle nodige maatregelen te nemen om de bescherming te garanderen van de gegevens die haar door de cliënt werden toevertrouwd.

HET BANKGEHEIM TEGENOVER DE CLIËNT

In zijn hoedanigheid van "meester" van het geheim heeft de cliënt uiteraard een rechtstreeks recht om te beschikken over de informatie die op hem betrekking heeft. Hetzelfde geldt voor de wettelijke vertegenwoordigers van de cliënt (zoals de voogd in geval van mentaal onvermogen, de raad van bestuur van een vennootschap, de vereffenaar van een vennootschap bij faillissement ...).

HET BANKGEHEIM EN HET MANDAAT

Toch wordt algemeen aangenomen dat hoewel de cliënt als "meester" van het geheim wordt beschouwd, hij er toch niet volledig vrij over kan beschikken. Zo geldt onder meer dat de beschermde persoon er niet algemeen afstand van kan doen, onder meer via de algemene voorwaarden.

Het is daarentegen wel aanvaardbaar dat de beschermde persoon in welbepaalde situaties een zeker oriënteringsrecht heeft onder voorbehoud van een specifieke, vrije en weloverwogen instemming. Zo heeft de cliënt binnen bepaalde grenzen het recht om zijn bankier te vragen occasioneel en specifiek gegevens door te geven aan derden (binnen het kader van een uitdrukkelijk akkoord dus).

HET BANKGEHEIM TEGENOVER DE PARTNER VAN DE CLIËNT

Het bankgeheim laat beide echtgenoten toe een bankrekening te openen zonder het akkoord van

de andere echtgenoot. Het is hierdoor ook mogelijk vrij over de gelden en effecten in bewaarneming te beschikken zonder het voorafgaande akkoord van de andere echtgenoot. De houders van een gemeenschappelijke rekening genieten geen bankgeheim tegenover hun respectieve medehouders.

HET BANKGEHEIM EN DE NALATENSCHAPPEN

De erfgenamen van een rekeninghouder worden beschouwd als de "opvolgers van de overledene". In die hoedanigheid hebben ze in principe het recht om alle nuttige inlichtingen te verkrijgen over de tegoeden uit de nalatenschap van de cliënt.

Zodra een erfgenaam zijn hoedanigheid heeft bewezen, met name op vertoon van een akte van bekendheid, krijgt hij dan ook toegang tot de bankgegevens die de bank betreffende de overledene bezit.

Algemeen wordt echter erkend dat hij enkel toegang krijgt, onder meer rekening houdend met zijn hoedanigheid (al dan niet reservataire erfgenaam, algemeen of bijzonder legataris ...), tot de strikte vermogensinformatie en de informatie die noodzakelijk is voor de vrijwaring van zijn vermogensbelangen.

HET BANKGEHEIM IN HET KADER VAN DE EUROPESE SPAARRICHTLIJN

Door de goedkeuring van de Europese Spaarrichtlijn van 1 juli 2005 hebben de lidstaten van de Europese Unie gekozen voor een automatische gegevensuitwisseling op naam met betrekking tot de rente-inkomsten met de woonstaat van de spaarder of voor een systeem van bronheffing op de interesten.

Luxemburg heeft net als België en Oostenrijk gekozen voor een systeem van bronheffing.

Zo is Luxemburg erin geslaagd het principe van zijn bankgeheim te behouden en ontsnapt het dus aan een automatische en algemene gegevensuitwisseling met andere lidstaten gedurende de overgangsperiode. De richtlijn voorziet trouwens niet in een einddatum van deze periode waarin beide systemen naast elkaar bestaan.

Zo bepaalt artikel 10 van de Spaarrichtlijn dat de overgangsperiode enkel eindigt, en bijgevolg de automatische gegevensuitwisseling inzake rentebetalingen zal worden ingevoerd, wanneer alle in de Richtlijn bedoelde derde landen (Zwitserland, Monaco, Andorra, Liechtenstein en San Marino), met de Europese Unie (als organisatie) een overeenkomst sluiten die onder meer voorziet in de uitwisseling van gegevens op verzoek, in de zin van de modelovereenkomst van de OESO betreffende de uitwisseling van belastinggegevens.

GEGEVENSUITWISSELING IN HET KADER VAN DE OVEREENKOMSTEN TOT VOORKOMING VAN DUBBELE BELASTINGHEFFING

Luxemburg onderhandelt opnieuw over de overeenkomsten tot voorkoming van dubbele belastingheffing die met bepaalde staten werden gesloten teneinde er artikel 26-5 van de OESO-modelovereenkomst in op te nemen.

Zo stemt Luxemburg in met een uitwisseling van gegevens op verzoek (met inbegrip van de informatie in het bezit van de banken) in individuele gevallen en op basis van een specifiek en gegrond verzoek (concrete bewijzen) dat door een buitenlandse belastingautoriteit wordt ingediend. Het gaat dus niet om een automatische bekendmaking van gegevens.